NTA 5755 'Ruimte voor adviseren

In juli 2010 is de Nederlands Technische Afspraak (NTA) 5755 "Strategie voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek" gepubliceerd ter vervanging van het protocol (1994) en de richtlijn (1995) voor nader bodemonderzoek. Het ontwikkelen van de NTA 5755 is onderdeel van het project EUREKA, dat NEN en SIKB uitvoeren in opdracht van VROM. EUREKA heeft tot doel bestaande richtlijnen voor nader onderzoek te moderniseren en te vervangen.

Met de NTA wordt de werkwijze voor het opstellen van een strategie voor nader onderzoek, gericht op ernstige gevallen van bodemverontreinigingen, beschreven. Het doel van dit nader onderzoek is voldoende informatie te verzamelen voor het bevoegd gezag, zodat het bevoegd gezag een uitspraak kan doen omtrent de ernst en spoedeisendheid van een bodemverontreiniging. Tevens kan het nader onderzoek informatie leveren voor de noodzaak van herstelmaatregelen vanuit de zorgplicht Wet bodembescherming/Wet milieubeheer.

Centraal in de NTA 5755 staat het, op basis van gedegen voorinformatie, bepalen van een duidelijke onderzoeksstrategie. Middels een vrij academische benadering wordt een conceptueel model opgesteld, op grond waarvan diverse onderzoeksvragen worden geformuleerd. Vanuit deze onderzoeksvragen kunnen onderzoekstechnieken worden geselecteerd en gekozen.

Conceptueel model
Het conceptueel model is eigenlijk de verwachting van de verontreinigingsituatie van de bodemonderzoeker voorafgaand aan het nader onderzoek en het resultaat van het nader onderzoek. Dit model helpt de onderzoeker de onderzoeksvragen te formuleren en kan afhankelijk van de situatie heel eenvoudig of complex van opzet zijn.

Dit model dient in ieder nader onderzoek te worden opgesteld en geeft een beeld van de aard en ligging van de verontreinigingbronnen, de verspreidingswegen van de verontreinigingen, de eventueel bedreigde objecten, etc. Om een goed conceptueel model op te stellen is het verstandig om ook de "Handreiking voor het opstellen van een conceptueel model" (SKB project PT8444) te bestuderen.

NTA 5755 in de praktijk
De NTA 5755 geeft de adviseur een handvat om middels een gestructureerde opzet tot zijn onderzoeksstrategie te komen. Dit geeft ten opzichte van de oude protocollen veel vrijheid voor de adviseur. Er hoeft immers niet meer in standaard "rasters en boorafstanden" te worden gedacht. Voor de ervaren adviseur zal dit een verademing zijn; er is weer de mogelijkheid om te adviseren! 

In de praktijk kan dit echter ook tot onduidelijkheid en discussie leiden. Bij de beoordeling van de rapportage van een nader bodemonderzoek zal het bevoegd gezag zich in de keuzes van de adviseur moeten kunnen vinden. Tijdige interactie tussen adviseur en bevoegd gezag is hierbij van belang. Dit vraagt niet alleen om een vakbekwame adviseur. Dit vraagt ook om een deskundige ambtenaar, die op voorhand een standpunt over de gekozen strategie durft in te nemen.

Deze nieuwe praktijk zal ook een juridische impact hebben, immers er kan juridisch alleen aan de zorgvuldigheid van het adviesbureau worden getoetst. Bij later gebleken onjuiste keuzes zal de adviseur niet eenvoudig aangesproken kunnen worden. Waar vroeger nog kon worden verwezen naar het ontbreken van standaardverrichtingen vanuit het protocol of de richtlijn, zal nu moeten worden gemotiveerd, waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt.

Samenvattend lijkt de NTA 5755 een verademing voor de ervaren adviseur en plantoetser, maar moet wel terdege rekening worden gehouden met interpretatieverschillen die vanuit diverse invalshoeken, belangen en doelstellingen, nu eenmaal niet te voorkomen zijn.